Dit document geeft een specifieke uiteenzetting voor het inzetten van jongeren (jeugdige) werknemers in de tankvaart en de daaraan verbonden regels en beperkingen.
Uit recent verrichte inspecties is naar voren gekomen dat op het gebied van werken met gevaarlijke stoffen en blootstelling hieraan voor jongeren nog het nodige moet verbeteren. Risicovolle taken moeten door jeugdigen onder deskundig toezicht van een leidinggevende worden uitgevoerd.
Het blootstellen van jeugdigen aan (CRM-stoffen) Carcinogeen-Reprotoxisch-Mutageen-stoffen, of in het Nederlands: kankerverwekkende stoffen, voor de voortplanting giftige stoffen en stoffen die het DNA in de celkern veranderen en een miskraam kunnen veroorzaken, is absoluut verboden.
Natuurlijk zijn de jeugdigen aan boord niet constant onder leiding van een andere deskundige opvarende (ouder dan 18 jaar), en kunnen zij onbedoeld in aanraking komen met gevaren die inherent zijn aan de tankvaart. Als bovengenoemd deskundig toezicht niet aanwezig is en de gevaren niet kunnen worden weggenomen door de werkgever, dan mogen deze werkzaamheden niet door werknemers onder de 18 jaar uitgevoerd worden.
Jeugdige werknemers in de tankvaart hebben doorgaans nog maar net de beschermde schoolomgeving verlaten en komen voor het eerst in aanraking met een minder op hen afgestemde werkplek. De fysieke en mentale ontwikkeling is nog in volle gang. Jeugdige werknemers kenmerken zich over het algemeen door een geringer besef van gevaren, speelsheid, grotere beweeglijkheid, minder verantwoordelijkheidsbesef en minder aandacht voor de persoonlijke gezondheid.
Met al deze kenmerken moet rekening worden gehouden wanneer jeugdigen worden ingeschakeld. In de tankvaartbranche zijn de risico’s dat een ongewenste gebeurtenis plaats vind groot.
Een gedegen instructie en toezicht, door de werkgever (schipper), op de naleving door de jeugdigen, is een goede stap in de juiste richting. In deze notitie worden hiervoor diverse handvatten geboden.
Voor meer informatie men op de onderstreepte tekst klikken.
2 De belangrijkste risico’s
Inleiding
In de tankvaart is het niet ongewoonlijk dat het gezin aan boord woont, vooral jongere niet schoolgaande kinderen wonen permanent aan boord. Deze groep mensen wordt niet bedoeld met jeugdigen in de zin van het Arbobesluit. Wel zijn er bepalingen in het ADNR 8.3.1 waarin beschreven wordt dat personen, die geen onderdeel van de bemanning zijn, zich niet of alleen kortstondig in de ladingzone mogen bevinden. Personen onder 14 jaar mogen niet aanboord zijn, wanneer er in ADNR deel 3.2 Tabel C, kolom 19 twee blauwe kegels of lichten worden vereist.
Aan boord kunnen jongeren onder worden verdeeld in de volgende categorieën:
·Jongeren die in gezinsverband aan boord wonen, maar niet werken.
·Werkende jongeren
In de zin van de arbeidstijdenwet zijn de werkende jongeren vervolgens onder te verdelen in:
·Kinderen 15-jarigen;
·Jeugdigen 16-, en 17-jarigen.
De lichtmatroos ( zie ook Kwalificaties bemanning en dienstboekje) is minimaal 15 jaar en in het bezit van een leerovereenkomst zoals beschreven in de Binnenvaartregeling. Deze voorziet in het bezoeken van een schippersvakschool of het volgen van een door de overheid erkende schriftelijke cursus die opleidt voor een gelijkwaardig diploma. Een 15 jarige werknemer is volgens art 1:2 van de Arbeidstijdenwet 2007 een kind en daar zijn de bepalingen van de Nadere regeling kinderarbeid
van toepassing.
Naast de functie van lichtmatroos is tevens de functie van deksman gebruikelijk. Het verschil tussen een deksman en een lichtmatroos is dat de laatste een beroepsopleiding volgt en één jaar jonger mag zijn. Dit is ingevoerd om het volgen van een beroepsopleiding te stimuleren
De risico’s van blootstelling aan dergelijke stoffen hebben op jeugdige leeftijd niet direct gevolgen, maar kunnen zich op latere leeftijd openbaren. Uit onderzoek komt naar voren dat de concentraties van ophoping van schadelijke stoffen hoger liggen bij de volwassenen dan bij de jongeren. Voor de moeilijk afbreekbare stoffen zoals dioxines, PCB’s, HCB en voor de metalen cadmium en lood werd dit verwacht omdat deze stoffen zich opstapelen in het lichaam bij het ouder worden. In dit geval spreken we van een chronische vergiftiging waarvan de oorzaak een aanraking of blootstelling aan een kleine hoeveelheid giftige stof over een langere periode is.
Er is aan het licht gekomen dat naast de problematiek van de CRM-stoffen, ook op andere onderdelen nog steeds gevaarlijke situaties worden aangetroffen in de tankvaart. Het gaat bijvoorbeeld om het niet gebruiken van persoonlijke beschermingsmiddelen (reddingvest). De Arbeidsinspectie concludeert dat veel onveilige situaties een kwestie van mentaliteit zijn en schippers mogelijk praktische ondersteuning nodig hebben om hun bemanning hierop beter aan te sturen.
De werkgever (en zeker de schipper) moet er op toezien dat iedere werknemer (dus zeker ook de jongeren) die werkzaam is in de binnenvaart, in situaties tijdens het werk of passages aan dek waarbij men te water zou kunnen geraken een reddingsvest volgens norm EN 395 of EN 396 draagt.
Bijkomende risico’s bij het te water raken maken de situatie echt gevaarlijk. De kans is groot dat bij het te water raken een hard voorwerp (Bestekrand, scheepswand, walkant, of drijvend voorwerp) wordt geraakt. Het risico om het bewustzijn te verliezen door een dergelijke klap is groot. In de Binnenvaart Branche RI&E onderdeel verdrinkenworden hier ook vragen over gesteld.
Afbeelding: reddingsvest dragen
In Nederland of één van de andere Rijnoeverstaten is het water meestal koud. Het risico op onderkoeling is daarmee groot, vooral als men langere tijd in het water licht voordat men er uit wordt gehaald.
Voor jeugdigen in de scheepvaart, mede door hun onervarenheid, enthousiasme en vaak nog niet helemaal gecontroleerde bewegingen, blijft het buitenboord vallen een groot risico.
In de reglementen ROSR, BSB en de Binnenvaartregeling (Reglement Onderzoek Schepen Rijn, Binnenschepenbesluit, Binnenvaartregeling) staat beschreven aan welke normen de reddingvesten moeten voldoen.
Zie onderstaand een verwijzing naar enkele voor dit onderwerp relevante documenten en rapporten:
3 De zorg voor veiligheid en gezondheid (Doelvoorschriften)
Deze Arbocatalogus geeft een handleiding op welke manier aan boord van binnenvaartschepen kan worden voldaan aan de doelvoorschriften die de overheid stelt. Voor jeugdige werknemers gelden niet alleen de regels in de Arbeidstijdenwet. Ook in de Arbowet en het Arbobesluit 2008 staan regels voor jongeren. Hierin worden een aantal verplichtingen voor de werkgever vastgelegd.
De huidige Arbowet en -regelgeving geven meer mogelijkheden om de arbeidsomstandigheden zelf vorm te geven en bevatten dus niet alleen dwingende voorschriften. Deze ontwikkeling is mede ingezet door de Europese richtlijnen en nieuwe maatschappelijke en wetenschappelijke inzichten.
Onderstaand volgt een opsomming van de relevante wet- en regelgeving over dit onderwerp:
Naast het bovenstaande juridisch kader dat de overheid aangeeft verstrekt de SDU over een groot aantal onderwerpen op het gebied van arbeidsomstandigheden een praktische uiteenzetting in de vorm van zogenaamde Arbo-Informatiebladen (AI-bladen). Voor jeugdigen op de werkvloer is het AI blad -30 jeugdigen uitgegeven. Deze AI-bladen bevatten toegankelijke informatie over hoe u in de praktijk moet omgaan met de samenhangende wettelijke regels en beleidsregels.
Risico-inventarisatie en -evaluatie Werkgevers zijn verplicht alle gevaren op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn in hun bedrijf te inventariseren. Deze zogenaamde risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) (Binnenvaart Branche RI&E handboek KB versie 2008.03 / Binnenvaart Branche RI&E verdrinken / Binnenvaart Branche RI&E Werknemerscategorieën ) is verplicht. Dit is vastgelegd in artikel 5 van de Arbo-wet. De werkgever kan zich daarbij laten bijstaan door een Arbodienst. Deze bijstand is in tegenstelling tot voorheen niet langer meer verplicht. Daarbij moet dan wel in acht worden genomen dat in de Arbowetgeving een bepaling is opgenomen dat de bijstand met betrekking tot de RI&E bij voorkeur intern moet worden georganiseerd.
De werkgever moet de gevaren in zijn bedrijf zoveel mogelijk beperken. De maatregelen die hij daarvoor neemt, moet hij in de RI&E vermelden. Alle werknemers, ook jeugdige werknemers, hebben het recht de RI&E op te vragen.
Loopt een jongere op het werk specifieke gevaren, dan moet hij of zij een arbeidsgezondheidsonderzoek (PAGO,Periodiek Arbeids geneeskundig Onderzoek Arbeidsbesluit 1.35 t-m 1.39 ) kunnen laten uitvoeren.
Binnenvaartondernemingen kunnen via de Binnenvaart Branche RI&E, onderdeel Werknemerscategorieën, Binnenvaart Branche RI&E onderdeel verdrinken, zelf eenvoudig een Binnenvaart Branche RI&E uitvoeren en een bijbehorend plan van aanpak opstellen.
Aandachtspunten RI&E De werkgever is verplicht in zijn RI&E extra rekening te houden met jeugdige werknemers. Als hij die in dienst heeft moet hij aan de volgende punten aandacht schenken:
·Wat is/zijn de leeftijd(en) van de in dienst zijnde jongere(n)?
·Wat is /zijn de (voor)opleiding(en) van de jongere(n)? Wat moet(en) hij/zij nog weten om goed en veilig te kunnen werken?
·Wat zijn de specifieke gevaren op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn?
·Hoe ziet de werkplek eruit?
·Met wat voor stoffen en fysische factoren krijgt de jongere te maken?
·Hoe lang moet hij/zij er mee werken?
·Welke arbeidsmiddelen worden er gebruikt en waarom?
·Zijn er veiligheidsbrillen, speciale kleding, helmen en schoeisel aanwezig?
·Wat zijn de (totale) bedrijfsactiviteiten?
·Hoe is de inrichting en de organisatie van het bedrijf?
Voorlichting risicos De werkgever is verplicht alle werknemers voor te lichten over risicos op het werk. Hij moet hen ook voorlichten over alle veiligheidsmaatregelen die hij heeft genomen. Bijvoorbeeld over de aanschaf van beschermende kleding of het afschermen van machines.
In het plan van aanpak wordt benoemd hoe:
·Aanpassingen worden doorgevoerd.
·Wat de prioriteitstelling van de aanpassing is;
·Wanneer de aanpassing gereed moet zijn;
·Wie zorg draagt voor een goede uitvoering van de aanpassing.
Bij het opstellen van een plan van aanpak zijn de volgende uitgangspunten wettelijk vastgelegd ( Hoofdstuk 2 art 5 van de Arbowet):
·Risico’s moeten zo ver als uitvoerbaar bij de bron worden bestreden. indien aanpassingen om economische, technische, of organisatorische redenen niet uitvoerbaar zijn geldt hiervoor een uitzondering, mits de best mogelijke oplossing als maatregel wordt toegepast.
·Indien bronaanpak of alternatieve aanpassingen niet mogelijk zijn moet men de werknemers afschermen van de gevaren door bijvoorbeeld het verstrekken van adequate persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) en toe te zien op het juiste gebruik hiervan.
De RI&E kan actueel gehouden worden door de genomen acties uit het plan van aanpak te controleren op hun uitwerking. Zijn de genomen acties niet doeltreffend dan moet een nieuw actieplan worden opgesteld en alternatieven worden aangewend om wel het doel te bereiken.
4 Oplossingen
Inleiding
De conclusie kan worden getrokken dat er veel onbekendheid en onduidelijkheid bij de schippers bestaat over de werkzaamheden die jongeren (jeugdige werknemers en stagiairs) wel of niet mogen uitvoeren. Mede daarom is het voor jongeren soms niet eenvoudig om een leer/werkplek te krijgen in de tankvaart waar CRM-stoffen worden vervoerd. Voor wat betreft de positie van de jongeren (jeugdigen) worden de volgende aanbevelingen gedaan:
Algemeen
De brancheorganisaties en de maritieme opleidingen in de tankvaart dienen zich beter te informeren over de positie van jeugdige werknemers en stagiairs. Zij dienen zich allereerst goed te informeren over welke werkzaamheden verboden zijn, zoals het werken met kankerverwekkende, voor de vruchtbaarheid giftige en mutagene stoffen en andersoortige giftige stoffen. Tevens dienen zij te weten welke werkzaamheden en met welke stoffen, alleen onder deskundig toezicht mogen worden uitgevoerd.
Ook luidt het advies om meer structureel in de maritieme opleidingen, voor zowel de leidinggevende als de werknemer, aandacht te gaan besteden aan onderdelen van de Arbowet die in het bijzonder voor de tankvaart relevant zijn. Dit is noodzakelijk om aan te geven wie, waar en wanneer verantwoordelijk is. Dit kan bijvoorbeeld als een onderdeel worden ondergebracht in de lesprogramma’s over veiligheid. Daarbij dient niet alleen aandacht te zijn voor veiligheid, maar ook voor gezondheid en de specifieke positie van 16 en 17 jarigen in relatie tot de eigen verantwoordelijkheid, rechten en plichten van deze aankomende werkende in de tankvaart.
De meest voor de handliggende oplossing is om de jeugdigen tot hun 18de levensjaar alleen in te zetten op tankers die geen CRM stoffen vervoeren. Daar kunnen zij dan de grondbeginselen leren en later overstappen naar de vloot schepen die wel deze CRM stoffen vervoeren. De (leerling-) matrozen zijn dan ook ouder en dus hebben ze dan meer verantwoording.
Hier ligt een grote taak voor de binnenvaartbranche om hierin een goede begeleiding te geven samen met de opleidingsinstituten. Wellicht moet de overheid worden ingeschakeld om de binnenvaartbranche te steunen · (subsidie) zodat er toch voldoende nieuwe kandidaten voor deze branche kiezen.
Nascholing: managen algemene veiligheid
De aanbeveling aan de brancheorganisaties en sociale partners luidt om meer aandacht te besteden aan praktische ondersteuning van schippers om hun bemanning goed te kunnen aansturen op veilig gedrag. In het bijzonder wanneer het gaat om het werken met jeugdigen en buitenlandse bemanningen. De Arbeidsinspectie denkt dat de branche hierin een stimulerende en vergemakkelijkende rol kan spelen door nascholing op dit punt te laten ontwikkelen. Te denken valt bijvoorbeeld aan korte trainingen / workshops het managen van algemene veiligheid voor leidinggevenden / schippers.
5 De praktijk
Het lijkt erop dat het arbeidsprobleem alleen opgelost kan worden door goede samenwerking. Er worden alleen te weinig initiatieven genomen door scholen en bedrijven om te zorgen voor een betere communicatie.
De realiteit moet ook onder ogen gezien worden. Docenten hebben het vaak te druk om stageplaatsen te bezoeken en les te geven. Schippers hebben hun eigen schema waar ze zich aan moeten houden, ze kunnen zich niet aanpassen aan de agenda van de docenten en een beginnende matroos neemt ook veel tijd en geld in beslag.
Leerling-matrozen zijn nog jong en hebben vaak weinig verantwoordelijkheidsgevoel. Dit betekent niet dat de situatie niet kan veranderen, maar er moet wel gezocht worden naar oplossingen waar de school, de tankvaartbranche en de studenten zich in kunnen vinden. Deze oplossingen kunnen echter alleen gevonden worden als alle drie de groepen een bijdrage leveren maar tegelijkertijd ook offers brengen door tijd en geld te investeren.
Op de schepen waar de situaties zich (regelmatig) voordoen waarin een jeugdige niet mag werken of zelfs maar in de ladingzone aanwezig mag zijn, kan de jeugdige dus niet in de vaste bemanning (A1, A2, B) opgenomen worden. In deze situaties moet er een (financiële, ruimtelijke) gelegenheid zijn de jeugdigen als overcompleet mee te nemen. Tijdens situaties waarin zij niet in de ladingzone mogen komen voor werkzaamheden, waarbij zij dus op de een of andere manier het risico lopen te worden blootgesteld aan eerder genoemde gevaarlijke stoffen, kunnen zij op het achterschip (buiten de ladingzone) werken / leren. De werkzaamheden die deze jongeren dan wel kunnen doen zijn:
·Leren
·verfonderhoud op het voor en achterschip
·onderhoud machinekamers
·stuurhut omgang lading(computer)programma’s
·Tijdens de vaart: assisteren aan en afmeer werkzaamheden en de overige werkzaamheden
Dit alles met inachtneming van de Nadere regeling kinderarbeid.
De branche moet de jeugdigen zien te motiveren voor de binnenvaart. Helaas laat deze motivatie nog wel eens te wensen over, zie Een citaat uit een interview. De motivatie van de jeugd valt of staat bij de motivatie van de (voorbeeld) schippers / collega’s.
Belangrijk is dat er een begin is gemaakt om het probleem aan te pakken. Het is vervolgens de taak van alle betrokkenen om zich in te spannen om de arbeidsproblematiek nog sneller terug te dringen.